Een werknemer die langer dan twee jaar ziek is en een zogenoemd slapend dienstverband heeft, bouwt in het derde ziektejaar geen vakantiedagen meer op. Dat betekent ook dat er bij beëindiging van het dienstverband geen uitbetaling plaatsvindt over die periode.
Dat oordeelde de kantonrechter in Rotterdam op 5 februari 2026.
De casus in hoofdlijnen
De werknemer was sinds oktober 2022 arbeidsongeschikt en ontving vanaf oktober 2024 een IVA-uitkering. De loondoorbetalingsverplichting van 104 weken was verstreken. Het dienstverband liep formeel door, maar feitelijk werd er niet meer gewerkt en geen loon meer betaald. Dat is wat we in de praktijk een slapend dienstverband noemen.
De werknemer verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding en uitbetaling van openstaande vakantiedagen.
Slapend dienstverband en goed werkgeverschap
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet een werkgever in beginsel meewerken aan beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding.
De kantonrechter ontbond het dienstverband en kende een schadevergoeding toe ter hoogte van de transitievergoeding. Die werd berekend tot het moment waarop de werkgever bevoegd was om op te zeggen, namelijk na afloop van de wachttijd van 104 weken.
Opgebouwde vakantiedagen tot einde wachttijd
Tot het einde van de wachttijd had de werknemer vakantiedagen opgebouwd. Die niet opgenomen dagen moesten bij beëindiging worden uitbetaald. Dat is vaste lijn en daarover bestond in deze zaak geen discussie.
Geen opbouw in het derde ziektejaar
Het geschil zat in de periode ná het einde van de wachttijd.
De werknemer stelde dat hij ook daarna vakantiedagen had opgebouwd en dat artikel 7:634 BW buiten toepassing moest blijven omdat dit volgens hem in strijd zou zijn met Europese regelgeving over het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
De kantonrechter volgde dat standpunt niet.
De rechter overwoog dat bij een slapend dienstverband de kernverplichtingen uit de arbeidsovereenkomst feitelijk zijn weggevallen. Er wordt niet gewerkt en er wordt geen loon meer betaald. Na 104 weken bestaan ook geen re-integratieverplichtingen meer.
Vakantie heeft volgens Europese rechtspraak een herstel- en rustfunctie. Bij een werknemer die niet meer werkt en een IVA-uitkering ontvangt, ontbreekt die functie. De werknemer heeft geen arbeid waarvan hij moet herstellen.
Daarom is artikel 7:634 BW niet in strijd met het EU-Handvest. Er wordt in het derde ziektejaar geen vakantie opgebouwd. En dus volgt bij beëindiging ook geen uitbetaling over die periode.eem, een e-mailbericht of een overzicht van het vakantiesaldo.
Wat betekent dit in de praktijk?
Bij beëindiging van een slapend dienstverband moet worden onderscheiden:
- vakantiedagen opgebouwd tot het einde van de wachttijd moeten worden uitbetaald
- over de periode daarna vindt geen opbouw plaats
- er is dus ook geen recht op uitbetaling over het derde ziektejaar
Let op: over dit onderwerp bestaan ook uitspraken waarin rechters anders oordelen. De lijn is dus niet volledig uitgekristalliseerd. Zorgvuldige beoordeling per dossier blijft noodzakelijk.
Conclusie
Deze uitspraak bevestigt dat bij een slapend dienstverband na afloop van de loondoorbetalingsverplichting geen verdere vakantieopbouw plaatsvindt. Voor werkgevers betekent dit dat bij beëindiging alleen de tot het einde van de wachttijd opgebouwde dagen hoeven te worden afgerekend.
Uitspraak: Rechtbank Rotterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1215


